Sponsoren

 

 

 

 

 

 

Gerrit Krol over het Bernoulliplein

Gerrit Krol Ja, nou je het zegt – ik was ze totaal vergeten. Begin jaren ’50 zijn ze opgeruimd: de hekjes om het gras. Alle grasperkjes, alle gazons in de stad waren afgebiesd met een lage, stevige buis, dertig centimeter boven de grond. Dat was om aan te geven waar je lopen mocht en waar niet. Op gras mocht niet gelopen worden ook al groeide er geen gras. En moeders konden op deze manier niet hun kinderwagen het gras oprijden om te genieten van een rustig schaduwrijk plekje onder een boom. Dat was verboden. Politieagenten keken er op toe dat dit verbod niet werd overtreden. Langzaam fietsten ze door de buitenwijken. Vaak stonden ze stil, aan de stoeprand. Om te kijken of er misschien iets gebeurde dat niet mocht. Bijvoorbeeld in het gras vallen. Soms vielen we in het gras; daar konden we niets aan doen. We stonden op zo’n hekje te balanceren. Dat mocht wel. Je mocht wel proberen in evenwicht op zo’n hekje te staan.

Ik kon dat vrij goed. Omdat ik gympjes droeg. Als ik mijn evenwicht verloor, viel ik naar de goede kant. Eén keer viel ik naar de verkeerde kant. In het gras. Omdat ik door iemand geduwd werd. Kwam ik met één voet in het gras en ik sprong meteen weer terug op de tegels. Maar de agent kwam langzaam naar mij toefietsen. Ik was er lelijk bij. Hij stapte af. Met de fiets aan de hand kwam hij het trottoir opgelopen. Alle andere kinderen waren weggerend en stonden nu vanaf de hoek toe te kijken. Niet erg logisch: zij hadden kunnen blijven staan. Ik had weg moeten lopen. Maar nee, ik stond daar in het diepe besef van mijn schuld en noemde mijn naam, leeftijd, adres. De agent borg zijn notitieboekje op en zei dat ik er meer van zou horen. Ik werd naar huis gestuurd, maar speelde een half uur later weer gewoon op straat.

Eén keer, toen we met z’n vieren in het gras terechtgekomen waren en zelfs daarin ten val waren gekomen, werden we door de langzaam fietsende agent naar het bureau gebracht. Aan het eind van de Zaagmuldersweg. Daar zijn we onderworpen aan een verhoor, aan het eind waarvan we op een bank moesten zitten, tot het donker begon te worden, toen werden we naar huis gestuurd.

Wij woonden op de Korreweg, aan het kleine Bernoulliplein (‘Benoejeplein’). Je had het grote Benoejeplein, maar wij woonden tegenover een van de twee kleine Benoejepleinen. Ook om dat kleine Benoejeplein was een hek gespannen, zeg maar, zoals er in de circustent een kabel is gespannen voor de koorddanser.

Ik, op mijn gympjes, liep op dat hek, de armen gespreid. In het volle besef dat er naar mij werd gekeken, niet alleen door mijn vriendjes, maar ook door de dienstdoende politieagent, die half was afgestapt. Dij op het zadel. Ik had al een kleine honderd meter afgelegd. Op de hoekpunten van het rechthoekige plein rustte ik uit. En ik ging verder, naar het volgende hoekpunt, en naar het laatste hoekpunt en ik viel almaar niet. Tot ik terugwas bij het uitgangspunt, daar voltooide ik mijn eenzame wandeling met een sierlijke afsprong – naar de goede kant.

‘s Avonds, thuisgekomen, vertelde ik het aan mijn moeder, die knikte en zei dat ze me ‘bezig’ had gezien. Ze was trots op mij en vond dat ik – zo dansen en de armen gespreid als vleugels – een beetje op een engel had geleken. De volgende dag, toen ik naar school ging, leek ik nog steeds een beetje op een engel. Want een kind is wat de mensen zeggen dat hij is, vooral als het beeld hem bevalt.

(Nieuwsblad van het Noorden, 17 september 1999)