Zie ook de foto’s in de gallery
Door Renneke B.
Het schaatsvirus heeft genadeloos toegeslagen. Toen mijn schoonzus Tineke mij vanmiddag voor de telefoon vertelde dat zelfs zíj al geschaatst had – schaatsen is niet echt haar hobby, bedacht ik mij geen moment. Of schaatsen nou wel of niet goed voor mijn rug is, ik wilde met mijn nieuwe schaatsen (van de Aldi, ahem) op het natuurijs staan! Omdat ik ergens toch nog steeds heel erg bang ben om door het ijs te zakken – ik ben namelijk anderhalve kilo aangekomen, wat het risico natuurlijk enorm vergroot – ging ik naar het Bernouilleplein.
Het Bernouilleplein is eigenlijk gewoon een grasveldje dat iets lager ligt dan de weg en de stoep er om heen. Het water dat er op lag, is nu bevroren; als je door het ijs zakt, hoeven ze je tenminste niet meer op te duiken, dan stap je er gewoon zelf weer uit. Op sommige plekken steekt het gras boven het ijs uit. Toen ik bij het Bernouilleplein kwam, keek ik mijn ogen uit. Het plein zag er uit als een echte schaatsbaan. Het sneeuw was keurig aan de kant geveegd, er waren een buitenbaan, een binnenbaan en een oefenbaantje, en er stond zowaar een koek-en-zopie-tent: een partytentje met wat tuinstoelen en strobalen er om heen. Een van de bewoners van het plein had een verlengsnoer tussen zijn huis en het tentje (over de straat) gelegd zodat de frituurpan het deed en er koffie kon worden gezet. Elke keer als ik er langs reed, kon ik ruiken wat er uit het frituurvet was gekomen: kaassouflé, kroketten, patat. Ik weet niet wie dit nieuwe baantje ingesteld of zelfs maar bedacht heeft, maar ik vind het een geweldig initiatief!
Het probleem was alleen dat ik tot nog toe niet echt ‘los’ had geschaatst. Langs de ijsbaan van Kardinge zitten namelijk van die kussens en die kussens zitten vast met klittenband dat een beetje uitsteekt. De paar keer dat ik in Kardinge was, hield ik mij voornamelijk vast aan dat randje. Dat was ook omdat iedereen in Kardinge kan schaatsen, iedereen behalve ik. Niemand viel en iedereen zoefde mij voorbij, op snelle Vikings, in strakke schaatspakken. Dus ik kon het mij voor mijn gevoel niet permitteren om ook nog eens te vallen. Maar vanmiddag op het Bernouilleplein was dat heel anders; dat is een echt krabbelbaantje. Overal om mij heen zag ik schaatsers tegen de vlakte gaan. Dat kwam ook omdat het ijs ronduit beroerd is: vol gaten, scheuren en barsten. Ik zag kinderen stukjes uit het ijs hakken om er mee te voetballen, het leek alsof ze die stukjes bij voorkeur uit het midden van de schaatsbaan haalden. Er waren ook veel kinderen met sleetjes op het ijs die tegen schaatsers botsten, of omgekeerd. En kinderen die op hun slee vanaf de hoge kant als onbestuurbare projectielen het ijs op gleden. Mijn grootste probleem was dat ik nog niet kan remmen. Een jochie van een jaar of tien wou mij dat wel leren, op het oefenbaantje. Maar dat werd bezet door een stel kletsende moeders dat hun huilende en krijsende kroost op het ijs probeerde te houden ( “Ik wil mijn schoe-hoe-hoe-nen aan!”). Ik heb jaloers naar die dubbele ijzers onder hun schaatsjes gekeken – waarom hebben ze die nou niet in mijn maat? De remles ging dus niet door, het jochie keek teleurgesteld. “Maar morgen ga ik het u leren” beloofde hij. Tot die tijd laat ik mij gewoon uitglijden en roep heel hard: “Aan de kant! Ik kan niet remmen!”. Het ijs was rampzalig, ik ben geen één keer gevallen, de lucht was strakblauw, het zonnetje scheen: ik begrijp nú wat ‘schaatskoorts’ is!




